Skip to content
InvHistoricAmenities

Huizenprijzen en investeringen in monumenten

Er was grote publieke opschudding vorige week over de vernietiging van cultureel erfgoed door de Islamitische Staat. Blijkbaar geven wij om ons verleden en de overblijfselen daarvan. Weinig mensen zullen het inderdaad vervelend vinden om langs de Amsterdamse grachten te wandelen en te genieten van prachtige grachtenpanden en andere monumenten uit andere tijden (een enkele Rotterdammert daargelaten). Dat we cultureel erfgoed belangrijk vinden blijkt ook uit investeringen die de overheid doet: sinds 1970 is er bijvoorbeeld meer dan een miljard euro geïnvesteerd in oude gebouwen. De kosten van investeringen in historische gebouwen zijn makkelijk te meten, maar kunnen we ook iets zeggen over de (maatschappelijke) baten van dergelijke investeringen? Als dat het geval is krijgen we beter in beeld of en welk cultureel erfgoed in stand gehouden dient te worden en welke gebouwen we geen publiek geld in dienen te steken.

In een recente paper meten Jan Rouwendal en ik de effecten van renovatiesubsidies op woningprijzen van omliggende panden. Huizenprijzen worden vaak als een indicator voor de aantrekkelijkheid van woningen en buurten gebruikt: als mensen een buurt of woning aantrekkelijker vinden zullen ze bereid zijn meer te betalen voor een woning. We gebruiken een enorme dataset met woningprijzen en –karakteristieken van de NVM met ruim een miljoen transacties sinds 1985 en informatie over meer dan 12 duizend renovatiesubsidies van de RCE. Deze renovatiesubsidies maken het belangrijkste deel uit van de investeringen in cultureel erfgoed in Nederland.

De uitdaging van dergelijk onderzoek is dat verschillen in prijsveranderingen tussen locaties natuurlijk niet alleen verklaard worden door renovatiesubsidies. Het kan bijvoorbeeld zijn dat woningen om andere redenen dan die subsidie aantrekkelijker zijn geworden in bepaalde gebieden. Een andere reden kan zijn dat bepaalde gebieden met veel cultureel erfgoed over de afgelopen jaren aantrekkelijker zijn geworden, waardoor we deze toename in populariteit ten onrechte toeschrijven aan restauratiesubsidies. Het wonen in steden, in het bijzonder in stadscentra, is in de afgelopen twee decennia bijvoorbeeld in populariteit toegenomen. Om deze problemen te vermijden kijken we naar prijsveranderingen van hetzelfde huis en gebruiken we enigszins geavanceerdere econometrische technieken.

Het blijkt dat renovatiesubsidies inderdaad een positief effect hebben op omliggende woningwaardes. De investeringskosten zijn gemiddeld € 140 duizend, terwijl de totale stijging in omliggende woningwaardes hierdoor € 160 duizend is, een maatschappelijk ‘rendement’ van 14%.

We hebben ook nog gekeken of investeringen in cultureel erfgoed ervoor zorgden dat omwonenden hun eigen huizen beter gingen onderhouden. Er wordt wel eens beweerd dat je je eigen tuintje beter gaat onderhouden als je buurman dat ook doet. Dus, als een monument in de buurt er beter uitziet kan je je eigen huis ook beter gaan onderhouden. Hier vonden we echter geen effect.

Externe baten van renovatiesubsidies zijn natuurlijk maar één kant van de medaille. Ook de gebruikers van een monument genieten van de betere kwaliteit, evenals toeristen die een historische buurt bezoeken. Onze schatting van de externe baten van renovatiesubsidies is daarom waarschijnlijk een onderschatting en geeft dus aan dat het vanuit een maatschappelijk oogpunt het zinvol is om in monumenten te investeren.